De Belgische ondernemer Jan Haemers zet met Haemers Technologies in op het saneren van zwaar vervuilde grond met PFAS en resten van Agent Orange. Het bedrijf werkt met thermische sanering op locatie in Europa en daarbuiten. De techniek maakt vervuilde plaatsen sneller bruikbaar, met minder transport en uitstoot. De groeiende vraag komt door strengere regels en biedt kansen voor mkb met subsidie voor sanering in Nederland.
Thermische sanering uitgelegd
Haemers Technologies gebruikt een techniek waarbij de bodem wordt opgewarmd met ingebouwde branders of warmtebuizen. Bij het verhitten breken veel organische stoffen af of verdampen ze. De dampen worden afgezogen en gezuiverd in filters en naverbranders. Zo blijft de grond op de locatie en hoeft die niet naar een verbrandingsoven.
Het bedrijf benadrukt dat het geen verbranding van de bodem is. De temperatuur wordt gericht toegepast en gecontroleerd. Daardoor blijft de bodemstructuur grotendeels intact. Dat kan kosten en tijd besparen bij herstel van het terrein.
De methode wordt ingezet voor hardnekkige stoffen zoals PFAS en dioxines, en ook voor koolwaterstoffen. Zulke verontreinigingen zitten vaak bij industrie, havens en luchthavens. Opdrachten vragen maatwerk per locatie en per bodemtype. Monitoring van temperatuur en emissies is daarbij verplicht.
“We verwarmen de grond, maar verbranden die niet.” — Jan Haemers, Haemers Technologies
Druk door PFAS-regels
In de EU ligt een breed PFAS-verbod op tafel via REACH, ingediend door Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden. Dit kan de productie en het gebruik van duizenden PFAS sterk beperken. Bedrijven moeten daardoor sneller opruimen op oude en actieve sites. De markt voor sanering groeit, met meer vraag naar bewezen en schaalbare technieken.
In Nederland leidde strikte PFAS-normen in 2019 tot vertraging in de bouw en het grondverzet. De kaders zijn aangepast, maar saneren blijft nodig om projecten vlot te trekken. Met de Omgevingswet zijn vergunningen en toezicht gebundeld bij gemeenten en provincies. Dat kan besluitvorming versnellen, mits plannen goed onderbouwd zijn.
Voor ondernemers betekent dit meer aanbestedingen met duidelijke milieudoelen. Denk aan terreinen van overheden, luchthavens en chemieclusters. Ingenieursbureaus, aannemers en gespecialiseerde mkb’ers kunnen hier samenwerken. Oplossingen met minder transport en lagere emissies scoren daarbij beter.
Minder transport, minder uitstoot
Thermische sanering op locatie beperkt het afgraven en afvoeren van grote volumes grond. Dat scheelt vrachtbewegingen en kosten, en verlaagt CO2-uitstoot. De bodem kan vaak blijven liggen of na behandeling direct terug. Dat past bij circulair bouwen, waarbij materialen op de plek worden hergebruikt.
Traditionele verbranding in speciale ovens is effectief maar energie-intensief en duur. Gerichte verwarming kan in veel gevallen korter en met minder energie. De duur hangt af van de diepte, vochtigheid en het type vervuiling. Een goede voorstudie maakt de keuze per locatie inzichtelijk.
Grote bedrijven moeten bovendien rapporteren over milieu-impact via de Europese CSRD. CSRD is een rapportageplicht voor duurzaamheid en risico’s. Minder transport en lagere emissies tellen daarin mee. Sanering met lagere uitstoot helpt zo ook bij rapportage en reputatie.
Kosten en risico’s beheersen
Saneringen vragen duidelijke afspraken over resultaat, planning en meetpunten. Resultaatcontracten leggen vast wanneer een terrein “schoon” genoeg is om te hergebruiken. Onafhankelijke bodemonderzoeken vóór en na de sanering verminderen discussie. Dat geeft financiers en verzekeraars meer zekerheid.
Juridisch geldt in de EU en Nederland de zorgplicht en het principe “de vervuiler betaalt”. Aansprakelijkheid kan liggen bij de veroorzaker, de huidige eigenaar of bij beide. Heldere dossiers en historische data zijn daarom belangrijk. Overheden toetsen plannen op veiligheid, emissies en hergebruik van grond.
Werken met warmte en dampen vraagt strikte veiligheidsmaatregelen. Bedrijven moeten voldoen aan de Arbowet en milieuregels voor lucht en geluid. Continu meten van temperatuur en emissies is standaard. De vergunning bepaalt de grenswaarden en het toezicht.
Nederlandse markt beweegt mee
Provincies en gemeenten zetten PFAS-programma’s op voor havens, bedrijventerreinen en infrastructuur. Aanbestedingen vragen vaker om innovatie met lage milieu-impact. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wijst op fiscale regelingen als MIA en Vamil. MIA en Vamil bieden belastingvoordeel voor investeringen in milieutechniek, ook voor mkb.
Nederlandse aannemers en ingenieursbureaus zoeken partners met bewezen technologie. Samenwerkingen met spelers als Haemers Technologies kunnen daarbij helpen. Pilots verkorten de leercurve en maken prestaties meetbaar. Dat versterkt de kans op vervolgopdrachten.
Banken letten meer op milieurisico’s in vastgoed en industrie. Een gesaneerd terrein is makkelijker te financieren en te ontwikkelen. Dat verlaagt projectrisico’s en versnelt gebiedstransformatie. Voor ondernemers ontstaat zo een combinatie van milieuwinst en economische waarde.
Wat dit betekent voor mkb
Mkb’ers in bodemonderzoek, grondverzet en installatietechniek kunnen instappen in de PFAS-keten. Denk aan boorbedrijven, meetdiensten en leveranciers van filters of branders. Certificering en opleiding zijn een randvoorwaarde. Daarmee voldoen teams aan de eisen van opdrachtgevers en toezichthouders.
Voor innovatie zijn er kansen via regionale fondsen en Europese programma’s. Horizon Europe en nationale groeifondsen steunen vaak pilotprojecten. Op het moment van schrijven zijn ook lokale subsidies beschikbaar per provincie. Een vroege verkenning van regelingen kan de businesscase verbeteren.
De combinatie van regelgeving, aanbestedingen en financiering stuurt de markt naar schonere methoden. Technieken die grond op locatie kunnen herstellen hebben een streepje voor. Dat verkleint hinder voor omwonenden en verkort doorlooptijden. Voor bedrijven telt uiteindelijk: minder risico, lagere kosten en sneller hergebruik.
